DLPA Advocaten

01/12/2017

Het UBO-register: waarheen met de anonimiteit van de aandeelhouder ?

Op 16 oktober 2017 is de Wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten in werking getreden. Eén van de belangrijkste en meest opzienbarende nieuwigheden is de creatie van het centraal register van uiteindelijk begunstigden, of het zogenaamde UBO-register (Ultimate Beneficial Owners).

 

Het UBO-register heeft tot doel een register aan te leggen dat informatie bevat over de uiteindelijke begunstigden van (i) in België opgerichte vennootschappen, (ii) trusts, (iii) stichtingen en (internationale) vzw’s en (iv) juridische entiteiten die vergelijkbaar zijn met fiducieën of trusts.

 

Met andere woorden : een register dat de “werkelijke eigenaar” achter een vennootschap of andere juridische entiteit vermeldt.

 

Welke entiteiten moeten een register aanleggen?

 

Aangezien de nieuwe wet geen definitie bevat van vennootschappen, en ook de vierde Anti-witwasrichtlijn verwijst naar “entiteiten opgericht overeenkomstig het nationale vennootschapsrecht”, zal de term ‘vennootschap’ beoordeeld worden in zijn betekenis in het Wetboek van Vennootschappen. Niet alleen vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (NV, BVBA, CVBA, ...) worden geviseerd, maar ook vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals bijvoorbeeld de burgerlijke maatschap.

 

Zoals gezegd, geldt de regeling evenzeer voor stichtingen en vzw’s, alsook voor trusts, fiducieën en daarmee vergelijkbare juridische entiteiten. Ook Nederlandse stichtingen-administratiekantoren, de zogenaamde staks, zullen naar Nederlands recht een UBO-register dienen aan te leggen.

 

Wie moet als UBO geregistreerd worden?

 

De eerste categorie van uiteindelijk begunstigden zijn de natuurlijke personen die eigenaar zijn van of zeggenschap hebben over de entiteit, omdat zij rechtstreeks of onrechtstreeks een toereikend percentage van de aandelen, stemrechten of eigendomsbelangen aanhouden. Voorlopig geldt de drempel van 25% van de stemrechten, de aandelen of het kapitaal, als indicatie. Een wijziging van deze drempel is evenwel nog mogelijk.

 

Over de in successieplanningen vaak voorkomende opsplitsing tussen vruchtgebruik en naakte eigendom van aandelen, is in de wet niets bepaald. In de eerste rechtsleer wordt gesuggereerd dat de vruchtgebruiker dan als UBO moet beschouwd worden. Ook de natuurlijke personen die op andere wijze zeggenschap over de vennootschap hebben, bijv. via stemafspraken in aandeelhoudersovereenkomsten, moeten worden geregistreerd.

 

Indien geen natuurlijk persoon kan worden geïdentificeerd of indien er twijfel bestaat, beschouwt men de natuurlijke personen die tot het “hoger leidinggevend personeel” van de vennootschap behoren als UBO. Dit zijn de functionarissen of werknemers met voldoende kennis over de blootstelling van de vennootschap aan de risico’s van witwas en/of terrorismefinanciering, en die hoog genoeg staan in de hiërarchie om daar relevante beslissingen over te nemen. Het gaat derhalve niet noodzakelijk om leden van de raad van bestuur of andere wettelijke bestuursorganen.

 

Bij stichtingen en vzw’s worden de leden van de raad van bestuur, zij die gemachtigd zijn de vereniging te vertegenwoordigen, de personen gelast met het dagelijks bestuur, de stichters van een stichting, de (categorie van) natuurlijke personen in wiens belang de stichting of vzw is opgericht, en alle overige natuurlijke personen die uiteindelijk zeggenschap hebben, beschouwd als UBO.

 

De tweede categorie uiteindelijk begunstigden bestaat uit de natuurlijke personen voor wiens rekening een verrichting wordt uitgevoerd of een zakelijke relatie wordt aangegaan. Dit zijn met andere woorden zij die voordeel halen uit de verrichting of de relatie, en die over de bevoegdheid beschikken om te beslissen over de uitvoering van de verrichtingen, het aangaan van relaties en/of het bepalen of goedkeuren van de modaliteiten daarvan, en dit alles in rechte of in feite, rechtstreeks of onrechtstreeks.

 

Heeft ook de fiscus toegang tot het UBO-register?

 

Het UBO-register wordt opgericht binnen de Algemene Administratie van de Thesaurie van de Federale Overheidsdienst Financiën, die zal instaan voor het verzamelen, bewaren en beheren van de gegevens, de controle en de terbeschikkingstelling ervan.

 

In de voorbereidende werken van de wet is gesteld dat het voorgaande niet impliceert dat ook de fiscus automatisch toegang heeft. Wel zal de fiscus het register kunnen raadplegen binnen het doel en de strekking van de wet, met name het voorkomen van witwas en de strijd tegen terrorismefinanciering.

 

Er circuleert evenwel al een ontwerp van nieuwe programmawet, waarin is voorzien dat de fiscus het UBO-register toch zal kunnen raadplegen “teneinde de juiste heffing van de belasting te verzekeren”. Bovendien zijn de lidstaten ingevolge de Europese richtlijn 2016/2258 ertoe gehouden hun belastingdiensten steeds toegang te verlenen tot alle documentatie en inlichtingen verzameld in het kader van de Vierde Anti-witwasrichtlijn.

 

Daarnaast zal het register in elk geval onbeperkt toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten en financiële inlichtingeneenheden, voor de financiële instellingen, vastgoedmakelaars, notarissen, accountants, advocaten, etc. binnen het kader van hun meldingsplichten inzake anti-witwas, en tenslotte voor iedereen die een zogenaamd legitiem belang bewijst.

 

De deur naar een ruimer inzagerecht staat bijgevolg al op een kier.

 

Wie moet de gegevens in het UBO-register aanleveren?

 

De details betreffende de praktische werking en de effectieve draagwijdte van het UBO-register moeten nog worden uitgewerkt in Koninklijke Besluiten.

 

Wel is reeds bekend dat minstens de naam, geboortemaand- en jaar, nationaliteit en adres van uiteindelijk begunstigden zal moeten worden geregistreerd, evenals de aard en omvang van hun belang. Die informatie zal telkens door de betrokken entiteit zelf moeten worden verzameld en aangeleverd, en vormt voor vennootschappen aldus een opdracht voor het bestuursorgaan. Op niet-nakoming van de verplichtingen in het kader van het UBO-register staan administratieve geldboetes van 50,00 tot 5.000,00 EUR.

 

Verwacht wordt dat het UBO-register tegen juni 2018 opgericht en werkzaam moet zijn. Entiteiten die onder de toepassing van de wet vallen, kunnen dus best tijdig de nodige gegevens verzamelen en registreren, willen zij boetes vermijden.

De aankomende identificatie- en mededelingsplichten inzake het UBO-register zijn bijzonder verregaand, zowel voor de uiteindelijk begunstigden zelf als voor de geviseerde entiteiten en hun andere actoren. Door het UBO-register zal in grote mate een einde komen aan de anonimiteit die bepaalde vehikels en structuren konden bieden. Hoewel dit alles in beginsel kadert binnen de bestrijding van witwas en terrorismefinanciering, blijkt nu al de deur minstens op een kier te staan voor bijvoorbeeld de fiscus om ook voor andere doeleinden gebruik te kunnen maken van de beschikbare informatie. DLPA houdt verder de vinger aan de pols voor de ontplooiing van het UBO-register, en is steeds beschikbaar voor advies inzake de uitwerking en gevolgen van de nieuwe regelgeving.

Share:

Recente nieuwsbrieven

30/04/2018 - Tot nog toe had enkel de architect de wettelijke verplichting om zijn beroepsaansprakelijkheid te verzekeren. Een dergelijke verzekeringsplicht...

30/03/2018 - Ernstige geschillen tussen aandeelhouders belemmeren de goede werking van de onderneming. Het vennootschapsrecht biedt diverse mogelijkheden om...

Inschrijven op onze nieuwsbrief

In onze nieuwsbrieven lichten wij de voor u relevante juridische actualiteit en belangrijke wetswijzigingen toe. Schrijf u hier in blijf op de hoogte.