Terug

Het Centrum voor Cybersecurity België (CCB) ontving in de eerste drie maanden van 2026 meer dan 3,6 miljoen meldingen van phishing.

Opvallend is bovendien dat fraudeurs steeds inventiever te werk gaan. Dankzij de snelle evolutie en brede toegankelijkheid van artificiële intelligentie kunnen oplichters vandaag met beperkte middelen bijzonder overtuigende fraudescenario’s opzetten, waardoor het steeds moeilijker wordt om valse communicatie van echte te onderscheiden. Zich rechtstreeks tegen de werkelijke fraudeurs keren blijkt in de praktijk doorgaans onmogelijk. Slachtoffers zien zich daarom genoodzaakt om hun bank aansprakelijk te stellen voor de geleden schade.

De Belgische wetgeving voorziet in een voorlopige terugbetalingsplicht voor banken bij phishing. In principe moeten banken het slachtoffer na melding van de fraude onmiddellijk vergoeden voor de geleden schade, in afwachting van een definitieve regeling van de aansprakelijkheid (art. VII.43 WER).

Die verplichting tot terugbetaling geldt evenwel enkel voor “niet-toegestane betalingstransacties” (art. VII.32 WER). Met andere woorden transacties die plaatsvinden zonder uitdrukkelijke toestemming van het slachtoffer, zoals bijvoorbeeld bij diefstal van een bankkaart. In de praktijk voeren banken daarom geregeld aan dat er sprake zou zijn van een “toegestane betalingstransactie”, om zo de voorlopige terugbetalingsplicht te vermijden en het initiatief voor een gerechtelijke procedure bij het slachtoffer te leggen. De banken dienen dan te bewijzen dat de transactie:

  • is geauthenticeerd;
  • correct werd uitgevoerd;
  • dat er geen sprake was van een technisch falen of enige andere tekortkoming van de bank.

Daarnaast bepaalt de Belgische wetgeving dat slachtoffers zelf opdraaien voor de volledige schade wanneer sprake is van grove nalatigheid (art. VII.44 WER). Ook op deze regel beroepen banken zich in de praktijk regelmatig om een voorlopige terugbetaling te weigeren.

In een recente beschikking van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, wordt voormelde praktijk echter streng beoordeeld. De rechtbank benadrukt dat banken in eerste instantie gehouden zijn de slachtoffers te vergoeden. Pas nadien kan worden gediscussieerd over de vraag of sprake is van een toegestane betalingstransactie of van grove nalatigheid.

Daarmee komt het initiatief voortaan duidelijk bij de banken te liggen: meent een bank dat de terugbetaling onterecht gebeurde, dan is het aan haar om het betaalde bedrag terug te vorderen.

Belangrijk op te merken is dat het gaat om een uitspraak in kort geding waarbij wordt benadrukt dat de bank eerst moet terugbetalen, en dan pas kan discussiëren. Deze uitspraak zegt dus nog niets over het definitieve karakter van de terugbetaling.

De rechtbank geeft hiermee wél een duidelijk signaal aan de financiële sector: eerst terugbetalen, dan discussiëren.


Heb je vragen over phishing, betwiste banktransacties of de aansprakelijkheid van financiële instellingen? Neem dan contact op met onze juridische experten Isabelle Geselle en Michiel Warnez.

DELEN:

Recent nieuws

Nieuwsflits overheidsopdrachten website

Europa hertekent het aanbestedingsrecht: 5 vertrouwde reflexen op de schop?

11/09/2026 - Op 9 september 2026 legde de Europese Commissie haar voorstel voor een nieuwe Public Procurement Act op tafel. Geen klassieke update van de bestaande ...

Lees meer
Uitbreiding checkinatwork website

Uitbreiding elektronische aanwezigheidsregistratie (checkinatwork) op bouwplaatsen vanaf 2027

13/07/2026 - Op 30 mei 2026 heeft de federale regering een programmawet aangenomen die enkele belangrijke wijzigingen doorvoert aan de elektronische aanwezigheidsr...

Lees meer