DLPA Advocaten

18/03/2016

Communicatie en uitwisseling van informatie (telefoon, e-mails, sms-berichten, …) op de juridische trapeze van de bewijsmiddelen. Opletten geblazen.

VOORAF

Dagelijks worden we geconfronteerd met de modernste technologieën. Communicatie en het uitwisselen van informatie gebeuren vandaag de dag meer en meer exclusief via elektronische weg. Een aanzienlijk deel van die communicatie- en informatiesystemen berust op het gebruik van telefoon en computers. E-mails en sms-berichten zijn alomtegenwoordig, zelfs wanneer er gecommuniceerd wordt over zwaarwichtige transacties, zoals het verkopen van een onroerend goed. Een regelmatig voorkomend fenomeen is dat opnames van telefoongesprekken tijdens een gerechtelijke procedure als bewijs worden aangeboden.

In het burgerlijke recht is het schriftelijk bewijs de regel. Daartegenover staat het handelsrecht. Dit is een bijzonder recht ingesteld ten behoeve van de handel en vanuit de vereisten van het zakenleven. Tussen handelaars geldt het vrij bewijsrecht. Handelsverbintenissen kunnen behalve door de bewijsmiddelen die het burgerlijk recht toelaat ook worden bewezen door getuigen en vermoedens.

De regels van het burgerlijk recht zijn van toepassing wanneer de handelaar bewijs moet leveren tegen de niet-handelaar. Omgekeerd zal deze laatste met alle middelen van recht het bewijs tegen de handelaar kunnen aanbrengen.

 

 

PROBLEEMSTELLING

Ons rechtssysteem hanteert het principe van consensualisme als uitgangspunt: een overeenkomst komt in principe tot stand op het moment dat de partijen het eens zijn over de essentiële en substantiële elementen. Deze wilsovereenstemming kan op eender welke wijze bereikt worden, dus ook via elektronische weg. Evenwel kan deze wilsovereenstemming niet om het even hoe bewezen worden. Een overeenkomst zal geen juridische waarde hebben indien diegene die zich erop wil beroepen er niet in slaagt om de inhoud ervan te bewijzen overeenkomstig de wettelijk voorgeschreven bewijsregels.

In welke mate kunnen telefoongesprekken of elektronische documenten zoals e-mails en sms-berichten gebruikt worden om het bestaan van een overeenkomst, bijvoorbeeld een verkoopovereenkomst betreffende een onroerend goed te bewijzen ?

 

 

DE HEIMELIJKE OPNAME VAN EEN EIGEN (TELEFOON)GESPREK ALS BEWIJS IN BURGERLIJKE EN COMMERCIËLE GESCHILLEN

Het komt voor dat iemand in het geniep een geluidsopname maakt van een eigen (telefoon)gesprek met een derde en dit vervolgens probeert voor te leggen als bewijs.

Op zich bestaat er geen bezwaar tegen het gebruik van dergelijke geluidsopnamen als bewijsmiddel. De rechter mag een geluidsopname in aanmerking nemen om een bepaald feit bewezen te verklaren en beoordeelt zelf de bewijskracht en bewijswaarde ervan.

Vooraf stelt zich evenwel de vraag naar de geoorloofdheid van het bewijsmiddel. Ongeoorloofd bewijs kan niet gebruikt worden in rechte en mag door de rechter niet meegenomen worden in de waarheidsvinding. In dit verband heeft de auteur B. Allemeersch het over een dubbele vraagstelling. Eerst dient de vraag zich aan of het bewijselement op zichzelf onrechtmatig is, zelfs al is de persoon die er gebruik van maakt er op correcte wijze van in het bezit gekomen. Dit is bijvoorbeeld het geval voor bewijs dat vervalst is, of dat gedekt is door het beroepsgeheim. Vervolgens is er de vraag naar de rechtmatigheid van de verkrijging ervan. Een bewijs dat op onrechtmatige manier verkregen werd, is in beginsel ontoelaatbaar.

Een opname van een telefoongesprek waarvan de inhoud onder het beroepsgeheim valt maakt steeds onrechtmatig bewijs uit. Maar wat met telefoongesprekken in de private of commerciële sfeer waarbij van beroepsgeheim geen sprake is. Maken dergelijke opnamen principieel onrechtmatig bewijs uit?

Het antwoord daarop is niet eensluidend.

Een deel van de rechtspraak en rechtsleer houdt er een zeer restrictieve opvatting op na. Deze stelt dat, zonder de toestemming van beide partijen, het gebruik in rechte van de opname van een telefoongesprek steeds onrechtmatig is. Als grondslag voor deze opvatting wordt verwezen naar enerzijds het recht op telecommunicatiegeheim en anderzijds naar het algemene recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, ook wel het recht op privacy genoemd.

Een groeiende strekking in de rechtspraak en rechtsleer beschouwt de privacy niet als bron van een absolute onrechtmatigheid van het bewijs. Wat volgens deze opvatting telt is of de verkrijging ervan dermate aangetast is door onrechtmatigheden dat het recht op bewijs ervoor moet wijken. Er liggen geen wetteksten voor die bepalen wanneer de bewijsverkrijging onrechtmatig is en wat de gevolgen zijn van zulke onrechtmatigheid.

Op het verbod om geluidsopnamen, die zonder medeweten van de wederpartij tot stand zijn gekomen, als bewijsmiddel te gebruiken, kan  volgens deze strekking slechts in bepaalde omstandigheden een uitzondering worden gemaakt. Dit is bijvoorbeeld het geval voor niet-confidentiële gesprekken tussen handelaars die het sluiten van een overeenkomst tot voorwerp hebben. Zo kunnen telefonische bestellingen bewezen worden a.d.h.v. de opname van deze bestelling; dit in sectoren waarin het gebruikelijk is dat de overeenkomsten mondeling of telefonisch worden gesloten (bijvoorbeeld het plaatsen van beursorders). Of nog een telefoongesprek tussen werkgever en werknemer. Wanneer het evenwel gaat om een heimelijke opname tussen personen die op dat moment reeds in een geschil verwikkeld waren, is de rechtspraak bijzonder terughoudend omdat de opbeller een verrassingseffect voor ogen heeft om zo één of andere verklaring te ontlokken. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden kan de opname aanvaard worden als bewijs op voorwaarde dat (i) de bezwarende verklaringen niet uitgelokt waren door diegene die het gesprek had opgenomen en (ii) het bewijs van het feit enkel op deze wijze kan geleverd worden.

 

 

BEWIJS DOOR GETUIGEN EN VERMOEDENS

Wanneer de wetgever het bewijs door getuigen toelaat, zijn feitelijke vermoedens eveneens toelaatbaar als bewijs.

De nieuwe technieken die thans voorliggen worden ondergebracht binnen de categorie vermoedens indien ze niet voldoen aan de voorwaarden om te worden behandeld als een geschrift of een begin van bewijs door geschrift.

Zijn te beschouwen als feitelijke vermoedens:

  • foto’s, films, video’s en beeldregistraties mits eerbiediging van de privacy;
  • een bericht op een antwoordapparaat;
  • afschriften naar aanleiding van betaalverrichtingen met een bankkaart of online;
  • een e-mail zonder elektronische handtekening;
  • sms-bericht (short message service);
  • informatie die door computers wordt opgeslagen (logbestanden).

De bewijswaarde van vermoedens is dezelfde als van een getuigenis. De rechter bepaalt op onaantastbare wijze de feiten waarop hij steunt en de gevolgtrekkingen die hij als feitelijk vermoeden daaruit maakt.

Recent, in een arrest van 26 september 2013, heeft het Hof van Beroep te Gent geoordeeld dat twee sms-berichten een begin van schriftelijk bewijs uitmaken. Toch werd de vordering afgewezen omdat dezelfde partij er niet in slaagde om het bestaan van de koopovereenkomst m.b.t. een onroerend goed aanvullend (eventueel met getuigen of vermoedens) te bewijzen.

Share:

Recente nieuwsbrieven

02/10/2018 - Op 18 januari 2017 is in alle lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken, de Europese Verordening...

06/09/2018 - Het arrest van het Hof van Cassatie van 24 november 2016 – de banken verliezen een eerste ontsnappingsroute   Meer dan een jaar geleden...

Inschrijven op onze nieuwsbrief

In onze nieuwsbrieven lichten wij de voor u relevante juridische actualiteit en belangrijke wetswijzigingen toe. Schrijf u hier in en blijf op de hoogte.